MOLENS: Wiekenstand als “boodschapper . . .

Naast de functie van de wieken als windvangers, hebben deze ook nog een andere functie: Namelijk het aangeven van Vreugde, Rouw, Tijdelijk buiten bedrijf. Langere tijd geen werk voor de molen. Verzoek om zo snel mogelijk naar de molen te komen en/of Bruiloft viering (hoofdzakelijk in Friesland). Maar er waren meer boodschappen van de molenaar naar de burgers. De 94 jarige J. Timmerman uit Joure weet zich nog te herinneren (in dec. 1978). Zo vertelt hij in het maandblad ‘Utskoat’, dat zijn vader boer was op Ald Skou. Bij de boerderij hoorde destijds een ‘’Kopmolen” met een vlucht van 68 voet (1 voet is ongeveer 28 cm., 68 voet is dus ruim 19 meter. Het was de grootste in Utingeradeel. Timmerman is een man met veel liefde voor de oude molen. Die oude trouwe werktuigen hebben altijd zijn aandacht gehad en hebben en hebben dat nog steeds (1987) Wanneer het gesprek op wiekenstand komt, vertelt hij daar met graagte over. “Wanneer een jong paartje in het huwelijk trad, plaatste men 1 of meer vlaggen aan de ‘Kopmolen’, hetzij op de roede, hetzij op de staart. Het wiekenkruis stond gewoon recht. Dit was niet het geval bij rouwstand. Als de molen iets te ver was doorgedraaid of juist iets te gauw was gestopt, weet ik jammer genoeg niet meer. iets doordraaien was rouwstand. Wat ik nog wel heel goed weet te herinneren is, dat de boeren de kopmolen wel in het kruis zetten, ze gaven dan aan dat de slager te kennen dat er een stierkalf was geboren. Elke morgen om acht uur en elke middag om één uur stonden de vier slagers uit Akkrum op de hoek van de Leppedyk, Zij tuurden dan over het veld. Heeft één van mijn klanten de molen in het kruis?. vroegen zij zich dan af. Wanneer dat het geval was, keerde hij terug naar de slagerij, riep zijn knecht(je) en samen gingen ze dan naar de boer: Ze hadden dan een kruiwagen bij zich voor het vervoer van het stierkalf. De weg terug was moeilijk, vooral als het veld drassig was. Ik zie de slager nog achter de kruiwagen sjokken, terwijl de knecht ervoor liep om deze dan te trekken. Met een touw over het schouder. Ja, man zo ging dat nou vroeger. (Bron @ Uskoat dec. 1987)

Frieslands strijd tegen het water . . .
De eerste bewoners van Friesland vestigden zich op de hogere plekken. Met name de slenken van de Middelzee, hogere oeverwallen van zandige klei, waren vruchtbaar. Omdat overstromingen doorgingen bouwde men heuvels, terpen. Het zoute water beïnvloedde de kwaliteit van de bouwgrond en dus legde men dijkjes aan om de zee buiten te houden. Die dijken hadden het sterk te verduren en braken veelvuldig door. Daarom legde men om de dorpen ook weer dijkjes aan. Al met al dus veel dijk om te onderhouden. Reden te meer om gezamenlijk te gaan bedijken. De Slachtedyk is daar een voorbeeld van.
De dijken hielden de zee buiten, maar regenwater kon nu niet meer weg. Daarom maakte men afwateringssluizen: ‘Zijlen’ genoemd. Normaal stonden die open. Alleen bij hoge zee gingen ze dicht. Bij ons in de omgeving kennen we Hottingasyl, it Syltsje enz.
Doordat Friesland op veel plaatsen doorsneden was met slenken, kon men makkelijk water op zee lozen. Toen de Marneslenk werd afgedamd begon de Middelzee dicht te slibben. De vele zijlen verloren hun functie. Uiteindelijk kon het regenwater nog maar op de Zuiderzee en de Lauwerszee worden geloosd. Door middel van te graven vaarten moest het water daarheen worden gebracht. Bij vloed sloot men de zee zijlen en bij eb opende men de deuren om dec Friese boezem te ontlasten. Door het rijzen van dec zeespiegel kon dat echter steeds korter. Daardoor verzamelde zich steeds meet water in de boezem wat tot hogere waterstanden leidde. Het gevolg was dat de lageren landerijen steeds vaker blank kwamen te staan. Boeren begonnen hun land met betere dijken af te sluiten van de boezem. Maar op het lage land verzamelde zich kwelwater en regenwater, zodat alles toch weer onder water kwam te staan. Dus zocht met naar lozing middelen. Dat kon dan middels spierkracht met een. Hoosbak (skep) de tonmolen of later het scheprad.

In de 14e eeuw werd de eerste waterwipmolen in Holland gebruikt. De oudste vermelding in Friesland staat op 1560. Met molens hield men dan de lage polders droog. Het water werd in de boezen geloosd en dus kwam de boezem hoger te staan. Meer dijkjes dreigden te overstromen en werden dus opgehoogd. Meer molentjes moesten worden ingezet om ook de landerijen droog te houden. Er was zo weer minder ruimte voor het boezemwater, het peil steeg en moesten weer worden opgehoogd. Het drooggemalen land klonk weer verder in en was men veroordeeld te blijven droogmalen. Aanvankelijk konden 3 á 4 boeren samen toe met een kleine molen, een mounts of spinnenkop, bediend door één van de boerenknechten. Grotere polders en grotere opvoerhoogten vroegen om grotere molens en betere opvoermiddelen. Achtkante poldermolens bleken die gewenste kracht te kunne leveren en de pas uitgevonden vijzel bleek het ideale middel om vele kubieke meters water over de noodzakelijke hoogte te kunnen verplaatsen.
Op die grote molens kwamen (parttime) beroeps molenaars. Omdat men vreesde dat brandgevaar, en de Friese in het algemeen niet groot waren, werden de poldermolens niet bewoond. Men boude er een molenaarshuisje naast. Sommige molens kregen een stookhut (Victor in Warnswerd) vooral gebruikt bij het nachtmalen. Allen in de veenpoldermolens zoals de ‘Hersteller’ in St. Johannesga en de ‘Deelsmolen’ in Vegelinsoord/Stobbegat werd gewoond. In 1811 werden in Friesland 2445 poldermolens geteld. Onderhoud ervan koste veel geld. Vervangen van een aantal kleine naar één grote lijkt dan een oplossing. De kosten daarvan dwongen tot samenwerking. De instelling van waterschappen, vanaf 1850, bood daartoe een mogelijkheid. Rond 1920 bereikt het oprichten van dergelijke waterschappen een hoogtepunt. Vele polder worden samengevoegd en er verdwijnen honderden molens.
Door plaatsen van dieselmotoren en later elektrische gemalen kon men, op ieder gewenst moment, onafhankelijk van wind en molenaar, de bemaling van de polders laten plaatsvinden en dat kostte uiteindelijk haast alle poldermolens hun werk. De Friese molenaars beijverden zich om de molens toch functioneel te houden, dwz. Aan een poldersloot en aan een boezemwater. Zo kon de molen zijn oude werk blijven doen, in plaats van en in aanvulling op het gemaal. De enorme kracht en capaciteit van de oude poldermolen dwingt nog altijd respect af. En, de strijd tegen het water is, met de verder stijgende zeespiegel en met de door diepbemaling inklinkende gronden, nooit uit gestreden. (bron: molendagen.nl)
Hoeveel molens telt Nederland? (2003) . . .
Om precies te zijn: 1048 windmolens en 108 watermolens. Worden ook kleinere windmolens (Tjaskers en weidemolends) en Amerikaanse windmotoren meegerekend, dan zijn het er ruim 1200. Zuid-Holland is de grootste molen provincie (220 windmolens). Utrecht de kleinste (33 exemplaren). De meeste door water aangedreven molens vinden we in onze meest geaccidenteerde provincie Limburg (56) Zo’n 100 jaar geleden waren er nog 10.000 molens volop in bedrijf. Ze maalden graan, zaagden hout, sloegen olie uit zaden en maakten papier. En poldermolens hielden het waterpeil in ons lage land onder controle. Vele duizenden molens hebben de vooruitgang niet overleefd: Het aantal wind- en watermolens dat ons land nu nog telt is het minimum om Nederland een molenland te noemen. De ‘Molenstatistieken’ komen uit het Nederlandse bestand, een overzicht van alle nog aanwezige wind- en watermolens, september 2003. Dit overzicht is eventueel in een losbladig system op CD-ROM verkrijgbaar.
In 1811 werd het molenbestand geïnventariseerd. Sindsdien nog een aantal keren. Het laatzien hoe dramatisch het aantal molens is afgenomen. In 1811 waren er nog ruim 2400 molens in Friesland. In 1943 nog maar 300, in 1946, 250 en in 1955 ongeveer 150. De poldermolens verloren hun functie door de vele gemalen in Friesland, waarvan de bekendste en de grootste het ir. DF Wouda gemaal bij Lemmer en het JL Hoogland gemaal bij Stavoren zijn.
Waarom is Nederland hét Molenland??
Niet vanwege het aantal: Er zijn landen in Europa waar veel meer molens staan. Nederland is echter het molenland bij uitstek, omdat de molen symbolisch is voor onze strijd tegen het water. Poldermolens werden vanaf de 15e eeuw in het westen en noorden van Nederland gebouwd, toen bleek dat het waterpeil in onze polders niet door natuurlijke lozingen gehandhaafd kon blijven. En molens werden later ingezet om binnenmeren droog te malen (bv. De Schermer) De molen als symbool van onze strijd tegen het water trekt nog steeds honderdduizenden buitenlanders naar Nederland. De molen is met de tulp én de klomp het ‘landmark’ van ons land. ( Bron @ De Hollandse Molen. nl.)_

Hoeveel en welke molens stonden er ooit in Akkrum-Nes??

In en rond Akkrum en Nes hebben in ruim 60 molens gestaan. Dan hebben wij het over alle ooit geregistreerde molens in allerlei soorten en vorm. Waaronder 2 Stellingmolens, ruim 40 Poldermolens, 14 Tjaskers en 6 Amerikaanse windmotoren.
2 stellingmolens (Zie foto links onder)
Een stellingmolen is een hoge molen met een stelling. Dit type molen staat meestal in bebouwd gebied en moet hoog zijn om binnen de bebouwde kom voldoende wind te kunnen vangen, de vrije windvang. De wieken en de staart reiken dan ook niet aan de grond. Om dan de molen te kunnen bedienen moet er halverwege de hoogte een stelling zijn (of ook wel een omloop, zwichtstelling, galerij, gaanderij of balie genoemd) die rondom de molen loopt. Vanaf deze stelling wordt de molen gekruid en worden de zeilen aan de wieken voorgelegd. Beneden beschikt men over een manier oven een grote ruimte om met paard en wagen of auto naar buiten te kunnen rijden, zonder dat men door de draaiende wieken gevaar loopt. De voet van een stellingmolen is meestal van steen, vanaf de stelling omhoog is het meestal een houten constructie. Stellingmolens zijn meestal korenmolens, oliemolens en Pel molens. (Zoals de Schuurmans-Rauwerda Molen (Korenmolen) en de Hoytema/UT Molen (Oliemolen).
Zo’n 50 Poldermolens (Foto Midden onder)

Een poldermolen (ook wel onterecht watermolen genoemd, maar die naam geeft verwarring) is een windmolen die water van een lager niveau naar een hoger niveau verzet. Dit type molen komt vooral voor in de poldergebieden van Midden- en West-Nederland.
Zes Amerikaanse windmotoren (Foto rechts boven)
De Amerikaanse wind motor of roosmolen is een type windmolen met veel bladen (wieken) en kan als opvolger van de klassieke type Nederlandse wind- en watermolens worden gezien. Dit type molen is in Nederland in de eerste helft van de 20e eeuw vaak toegepast voor de bemaling van kleine polders. De grotere windmotor heeft 20 tot 30 bladen, een betonnen onderbouw, een platform en is meestal van het merk Hercules (type Metallicus): dit type was in de jaren van de 20e eeuw in de handel en werd door de firma R.S. Stokvis geïmporteerd. De middelgrote windmotor heeft 10 tot 20 bladen. Ze zijn meestal uitgevoerd met een platform en is veelal van het merk Record. Het kleine type heeft 4 bladen. Veel van deze kleine en middelgrote windmotoren werden geproduceerd door de windmotoren fabriek Gebr. Bakker te IJlst. Een groot verschil met de Nederlandse molen is dat de Amerikaanse windmotor en of twee windvanen heeft. De windmotor hoeft dus niet door een molenaar in de wind gedraaid te worden. In Friesland waren ooit enkele honderden windmotoren, nu resten slechts ca. 25, waarvan dus geen één meer in of rond Akkrum-Nes staat.
De molens in en rond Akkrum-Nes.

Akkrum- Ooit sierden één of meerdere karakteristieke molens de horizon van vele dorpen. Zo was dat ook het geval in Akkrum-Nes. Dat geld trouwens niet alleen voor Akkrum-Nes maar ook voor vel dorpen om ons heen. Spijtig genoeg is niet één van deze mooie grote en vooral karakteristieke Stellingmolens bewaard gebleven voor ons nageslacht. Alleen een enkele straatnaam met daarin de molen vermeld is het enigste dat nog te zien is. ‘’Maar gelukkig hebben wij (Akkrum Ald en Nij) de foto’s en de verhalen nog’’. Alleen de Spinnekopmolen met de naam “De Mellemolen” staat er nog, al is het niet meer op de originele plek aan de Pollesloot. Dit met de reden, dat de molen zijn waardigheid helemaal verloor tussen de industriegebouwen van de U.T.D. fabriek. Hij werd verplaatst van de Pollesloot naar Het deel, net buiten de kom van Akkrum.
Nabij de opnieuw in gebruik gestelde (fiets)pont bij Nije Skou over het Deel van Akkrum naar Joure. De Mellemolen werd daar gerestaureerd/gerenoveerd en opnieuw opengesteld voor het publiek. Later meer over deze Mellemolen.
De rest van de molens, meest watermolens, werden gesloopt om de doodeenvoudige reden, dat ze niet meer nodig waren voor het werk waarvoor ze gemaakt zijn. Er hebben in en rond Akkrum-Nes (schrik niet) maar liefst ruim 60 molens gestaan in meerdere soorten waarvan 26 in en rond Nes.
Er is jammer genoeg maar één overgebleven. Van de Amerikaanse windmotoren is geen één overgebleven. En ook van de Tjaskers is niet één blijven (be)staan.

Heeft U nog vragen, op- of aanmerkingen over dit onderwerp, of een ander onderwerp of heeft u nog iets dat u met ons wilt delen. Wij horen het graag. Alvast bedankt.
Spreekt ons werk u aan, en wilt u ons ondersteunen? Donateur worden kunt al vanaf €8,50 per jaar. Zo kunnen wij ons ‘werk’ blijven doen en kunnen andere bezoekers er ook weer van genieten. Wij horen het graag. Alvast bedankt.
Stiftingakkrumaldennij@gmail.com
