Molens . . . Akkrum-Nes

Molens . . . Akkrum-Nes

In Akkrum-Nes en wijde omgeving ooit van ruim 60 naar 1.

Boven; Een gedeelte van de molens ooit in Akkrum en Nes en wijde omgeving.

In en rond Akkrum en Nes hebben veel karakteristieke molens gestaan. Meerdere soorten molens hebben Akkrum en Nes ooit gesierd. Slechts één is er van overgebleven. Eén van de ruim zestig molens. Heel spijtig. Maar gelukkig hebben we van veel molens de foto’s en de verhalen nog. Onderstaand de soorten:

Twee Stellingmolens, maar liefst ruim vijftig Poldermolens, zes Amerikaans Windmolens en een Tjasker.

Zoals eerder gezegt is er nog maar één overgebleven. Dat is de ‘Mellemolen’ bij Nije Skou, die het water uit de achtergelegen polder in het Heerenveens Kanaal pompt. (daarover later meer).


Wind- Rog- en Korenmolen “De Eendracht”.

We beginnen met de Stellingmolen aan de Leppedyk, ook wel de”Eendragt” genoemt, net als ook de molen van S.P. Hoytema, later van Ulbe Twijnstra. Eén van de mooiste molens was, de stellingmolen die ooit tussen de Leppedyk en de Boarn stond, Dat was de Roggemolen ‘De Eendracht’. Het was 1854 als Klaas Jelle’s Diepstra de Wind-, Rog-, en Korenmolen laat (her)bouwen ?? (zie lager krantenartikel ‘Bedrijfsmolens in Friesland, De molen te Akkrum’) Volgens de in de onderbouw gemetselde gedenksteen was op 9 juni de eerste steenleggen. Daarop staat ook de naam van de molen: “De Eendracht”. In datzelfde jaar worden ook de huizen rondom de molen gebouwd, waar de bovenbouw met zijn wieken mooi bovenuit komt. Tot 1863 was Klaas Simons Diepstra de Molenaar. In 1867 wordt de molen door blikseminslag beschadigd, maar kan worden hersteld. Vanaf 1912 wordt het bedrijf geëxploiteerd door Geert W. Schuurmans. In 1927 neemt Wiggele Rauwerda de “Eendracht” over. Rauwerda had een zaak in veevoeder. Waardoor hij de molen niet hoefde te gebruiken als zodanig. Het onderhoud van de molen kostte hem te veel. In 1938 begint de molen, door gebrek aan onderhoud, het onderspit te moeten delven, de molen begint de huisjes rondom de molen en gevaar te worden. Daarom wordt besloten de bovenbouw af te breken. Eigenaar Wiggele Rauwerda houdt onderbouw blijft dan nog voor opslag van zijn veevoeder. In 1940 wordt zijn zoon Anne Rauwerda eigenaar van deze opslagplaats voor veevoeder. In 1966 koopt de gemeente Utingeradeel de onderbouw van de molen van Anne Rauwerda aan het Rogmounepaad nummer 7. Echter, in 1967 wordt ook de onderbouw gesloopt door de gemeente Utingeradeel. Nu heeft Anne Rauwerda alleen nog een schuur voor zijn opslag aan het Rogmounepaad nummer 9. Sindsdien is er niets meer van de karakteristieke Rogmolen aan de Leppedyk te vinden. Op de plaats van de oude zwarte (hok) schuur werd een woning gebouwd door Theo Mast. De molensteen heeft vele jaren aan het eind van het Rogmounepaad gestaan, maar is door de tand des tijds aangetast en uit elkaar gevallen. Allen nog de straatnaam van deze Rogmounepaad is nog een waardevolle herinnering van de Rogmolen “De Eendracht “die Akkrum ooit sierde.

Forto: Fen Fryske Groun.

Foto boven: De “Eendracht” gezien vanuit oostelijke richting. (@: Rollema)

Onder: Midden boven prijkt de “Eendracht” vanuit de lucht. (@ KLM Aercocarte 1931).

Bovenstaande oude ansichtkaart met de molen gezien vanaf het “Poolsdykje”.

Onderstaand artikel: @ Nieuwsblad van Friesland: Hepkema’s courant 1-6-1938.

Nieuw of gebruikt?, Akkrum of uit de Zaanstreek?

In eind 1862 komt Klaas Jelles Diepstra te overlijden en wordt de molen met toebehoren door de erven verkocht aan Willem G. Schuurmans die de molen op zijn beurt in 1912 weer te koop zet. Zie advertentie hieronder:

@Leeuwarder Courant 20 mei 1868

Technische gegevens van de Korenmolen:

“De Eendracht” te Akkrum.

(Her) Plaatsing molen: (juni 1954 ??)

Gedenksteen: 9 juni 1854,

Ligging tussen de Leppedyk en de Boarn.

Molenaar: Klaas Jelles Diepstra                               1854-1863

Molenaar: K.S. Dykstra                                             1863-1868

Molenaar W. Schuurmans                                        1890-1912

Molenaar: G. Schuurmans                                        1912-1927

Molenaar: Wiggele Rauwerda                                 1927-1940?

Sloop bovenbouw Korenmolen de Eendracht        1938

Molenaar: Anne Rauwerda                                     1940-1967

Verkoop onderbouw aan Gemeente                      1966

Sloop onderbouw korenmolen                                 1967

Molen gegevens: Vlucht, rad: 19. 84 meter

De stelling bevindt zich op 9 meter hoogte

 Romp: Achtkante bovenkruier op vierkante onderbouw

Kruiwerk: Bovenkruier

Versieringen: De gedenksteen verhuisde na de sloop naar de gemeentewerf van de Gemeente Utingeradeel in Akkrum. (Thans 2013 ‘Verdwenen’)

Sloop bovenbouw:    1938    (helaas).

Sloop Onderbouw:   1967    (helaas).

Bovenstaand een fotokaart van Akkrum met de Stellingmolen “De Eendracht” van Schuurmans, later Rauwerda.

Een andere mooie oude fotokaart, gezien vanuit de kerktoren. (Ca. 1934)

Bovenstaande Ansichtkaart is van rond 1900.

Ook voor schilders was de molen een dankbaar onderwerp. Mensen die met de trein Akkrum passeerden konden de molen zien.

Belevenissen rond de molen “De Eendracht” door Atze de Vries.

Buurtbewoner Atze de Vries werd geboren nabij de Wind- Rog- en Korenmolen “De Eendracht”die slechts 15 meter van hus huis stond, weet zich nog veel te herinneren: Als het overdag geen wind was en ’s nachts wel, dan werd er nachts gemalen. Een buitenstaander zou zeggen dat dit hinderlijk was en men dan niet kon slapen: het tegendeel was echter het geval: We sliepen allemaal als rozen, we waren aan het geluid gewend geraakt. We hoorden het niet meer, het hoorde er allemaal bij. Zoals gezegd was het een korenmolen en werd er veel mais gemalen, doch ook andere granen. Af en toe kwam er een “Skute”met mais voor de wal en dat los door de zeeboten in Amsterdam in het scheepsruim gestort. Dan hadden twee sjouwers lieden uit het dorp ook weer een karweitje, want het was steevast hun werk om het schip te lossen. Het schip lag in de Boarn en ik dacht dat ze dergelijk karwei voor een bepaald bedrag aannamen. Ze konden dan zelf de werktijden regelen. Ze begonnen de emmers met zakken te vullen, dan werd de zak op een ijzeren ton geplaatst en dichtgebonden om hem vervolgens via een uitgelegde plank vanaf het schip naar boven te sjouwen, waar één van de molenaarsknechten klaar stond om deze via een katrol naar boven te transporteren. Soms, als men op de zolders niet zo veel ruimte had, kwamen ze in een andere opslagruimte bij de molen terecht, het sjouwen van de zware balen was een vermoeiend werkje. Doch deze beide mannen hadden hier een handigheidje in gekregen, en als alles  meeliep dan kon de schipper drie dagen later weer leeg vertrekken. Dan begon het malen. Er waren in de molen op zolder twee graanzolders en daarboven noch en zolder  waar allerlei artikelen van de molen werden opgeborgen. Als men iets nodig had kon men het daar meestal vinden. Boven in de molen was een soort katrol met een zwaar kabeltouw: Al draaiende werden de volle en de ledige zakken hiermee met windkracht van boven naar beneden gehaald. Als de pasgemalen mais beneden in zakken terecht kwam, was het maismeel helemaal warm. In de zolders waren twee valluikjes en deze hoorde men, zodra de zakken er doorheen waren, steeds weer naar beneden denderen. Voor het stuiven was ook een apparaat opgesteld met een zak er omheen. Gedurende het malen had de man die beneden stond het wel even druk werk. Zodra de zak vol was, moest men deze op een nabij staande bascule om gewogen te worden. Er moest dan soms iets bij of iets uit en daarna moest er een touw omheen. Later werden de volle zakken ook weer met windkracht naar boven, naar de eerste of tweede zolder worden getransporteerd. Ook moesten ze wel eens naar een pakhuis, Dit al naar gelang de ruimte. Molenaar Schuurmans had zelf z’n klanten: dat waren veehouders hier uit de buurt, doch ook wel verder weg. Alles werd met paard en wagen bij de klanten bezorgd en hiervan had hij er ook een viertal paarden op na die in een stal in de nabijheid werden ondergebracht. Schuurmans had meestal twee knechten die voor de expeditie zorgden. De vast knecht woonde in het huis van Schuurmans naast de molen, zodat deze eventueel ’s nachts  direct kon worden gewekt. De andere knecht was meestal een vrijgezel. De baas zelf ging zelf elke week bij de klanten langs om geld te innen en weer een nieuwe bestelling op te nemen. Telefoon had Schuurmans niet en de boeren evenmin. Persoonlik ben ik wel eens met de koetsier mee geweest. Hij had vaste dagen waar hij wekelijks kwam. en zo ging hij naar Haskerdijken, Henshuizen en verder richting Joure, richting OudeSchouw en Irnsum. Hij kwam zelfs in Poppenwier en Sijbradaburen.

Een mooie oude foto met de molen en “skytstoel”.

Ook ging hij naar Nieuwe Schouw en verderop maar de boeren aan de Vegelinsweg. Hij moest dan met de grote pont worden overgezet Paar en wagen en de zware vracht gingen dan over het water. Maar de grote veerpont was geöliede en kon het wel houden. Soms hield Schuurmans er een paar melkkoeien op na en zorgde hij voor hooi voor de beesten. Hij had zelf of huurde een stuk hooiland en dan kwamen de wagens met hooi binnen enen moest in betrekkelijke kleine ruimte worden opgeslagen. Een soort houten berghok met boven een opening. Ondergetekende moest dan door die opening (waar steeds maar weer hooivorken vol hooi werden ingedaan) het hooi egaliseerde en en plat trappen op sokken. Het was soms zo heet in deze beperkte ruimte dat je van benauwdheid bijna stikte. Ik heb het er toch altijd weg goed van afgebracht., doch was het wel een rot karweitje. We kwamen als jonge jongens ook wel eens in de stal bij de paarden en koeien en dan riep de oude heer Schuurmans:” Atze, je zou altijd nog wat van mij hebben”. Hier .  .  . en stopte mij een uitgekauwde tabakspruim in de hand. Natuurlijk een rotstreek, maar als kind kon je niets terugdoen. Vader Willen Geert Schuurmans en zoon waren geen aangename mensen: het waren een paar koppige Friezen en zo gebeurde het dat ze een hevige ruzie kregen. Dit was net op het moment dat Geert ging trouwen en de zaak zou overnemen. De ruzie liep zo hoog op dat de oude baas zwoer dat hij alles in het leven zou stellen dat zoon Geert de molen niet zou krijgen en ging deze publiek verkopen. Maar het ging niet zo als ce oude baas had verwacht. Bij de verkoop via de notaris bij de palmslag kocht een vreemd iemand de molen, doch dat was in opdracht van zoon Geert. De ruzie was in haat overgegaan en zo zou het kunnen gebeuren dat vader en zoon, die, door de Boorn gescheiden zowat op elkaar woonden, tot het einde niet meer met elkaar hebben gesproken meen ik. Tot groot verdriet van de moeder van Geert die de kinderen van dit echtpaar wel zag spelen, maar die ze niet kon knuffelen, zoals een ieder ouder hun kleinkinderen graag doen. Als kinderen speelden wij van dichtbij huis en toen heb ik wel eens in het vuur van het spel met tikkertje tegen de muur van de molen gebotst met als resultaat, zoals we dat vroegen zeiden, en gat in het hoofd. Het litteken kun je nu nog zien. Ik kan me nog een voorval herinneren die ik nooit zal vergeten. Er was toen een nieuwe knecht bij de molen gekomen, dat was eerst een weduwnaar, Doch trouwde toen weer met een jonge vrouw uit Oldeboorn meen ik. Dat was achterna bekeken een nare vent, want hij vertrouwde zijn eigen vrouw geen geld toe, daarom had hij zijn pong’ met geld helemaal boven in de molen verstopt en zijn vrouw kreeg af en toe een beetje geld, dus het mens verkeerde steeds in armoede. Mijn vader die kon splitsen, moest in de molen weer eens met zware touwen aan het werk: dezen waren bijna versleten en daardoor moest hij een spits ijzer gebruiken. Dat moest boven ergens zijn en zocht er alles om af. Zo kwam hij boven in de molen. Hij deed toe de grote vondst. Hier lag namelijk de ‘pong’ met geld en hij had direct door dat dat van de knecht moest zijn. Deze vrouw werd dus ‘kort’ gehouden en moest telkens om geld vragen.: “Wil Atze voor mij even een boodschap doen, en een halve cent verdienen? Dat wilde ik maar wat graag doen U zult wel deken dat dit pure fantasie is, maar het is waar gebeurd. Later is de vrouw bij deze man weggegaan. Ze kwam bij ons bij mijn moeder nog even afscheid te nemen,. De man had uit het eerste huwelijk en meisje van een jaar of twaalf. En deze moest zich maar met de huishouding redden. (Bron @ Utskoat: Atze de Vries, Akkrum, 1982).

De sloop van de stellingmolen “De Eendracht”

Boven: Een collage van de sloop/afbraak van de onderbouw in 1969. De afbraak van de bovenbouw was in 1938. (Hier zijn geen foto’s van. Is er nog iemand die nog wel foto(‘s) van de sloop van de bovenbouw heeft. Stiftingakkrumaldennij@gmail.com)

Foto boven: Marja Meester op de steen op het Rogmounepaad in ca. 1962, Rechts de molensteen 1979 @ Coby Grossoo. Van de molensteen is niets overgebleven (op de foto’s na!)

Foto boven: Alles dat nog rest van de Rogmolen De “Eendracht” aan de Leppedyk, is de naam van het pad dat naar de molen van weleer leidde, het “Rogmounepaed” en de molensteen, (die overigens in parten bijelkaar is gestapeld) aan het eind van het “Rogmounepaed” (inzet). Van de laatste resten van de molensteen is tegenwoordig (2026), ook niets meer van over. (Foto @ 2013)



De oliemolen van S.P. Hoytema, later Ulbe Twijnstra

Een andere Stellingmolen is/was de oliemolen van Sybren Pieters Hoytema, (geb.1791) die in 1841 opdracht geeft om een oliemolen te laten bouwen aan de Pollesloot in Akkrum. Hij waagt de grote stap en koopt een stuk “Finland” van 2/3 pm. tussen .  .  .  en  .  .  .  Laat er een oliemolen, twee huizen en een grote opslagruimte op bouwen. Het land waar op de molen geplaatst wordt, was voor de helft in eigendom van Wijger Hendriks Idzerda, destijds Doctor Medicinae” te Jirnsum, zoals Akkrumer dorpshistoricus Merten Bakker dat schrijft in zijn in 1977 uitgegeven ”Akkrumer Almenak”. Na Akkrum heeft hij nimmer het beroep van Dokter uitgevoerd. Daarna ging hij de politiek in. Hij heeft daar veel voor de medische wereld gedaan en heeft er mede voor gezorgd dat de spoorlijn Zwolle -Leeuwarden een feit werd.

Afbeelding boven: Overl. Acte Sybren Pieters Hoytema.

Toen Idzerda naar Akkrum kwam om daar een zeepziederij te stichtten, had hij op zijn beurt ook genoemde Hoytema daar al belangen in. Als Idzerda de zeepziederij van de hand doet en zelf een olieslagerij laat bouwen, doet hij zijn aandeel van de molen over aan Hoytema. Als deze datzelfde jaar komt te overlijden, gaat de molen over naar het beheer van de zonen Piter (1818-1876) en Johannes (1819-1856).

Vier jaar werken ze samen en als laatstgenoemde komt te overlijden, is er in 1857 een boedelscheiding, tussen de weduwe en Piter. Zij krijgt naast het geld en de huizen in het dorp, ook de waardepapieren mee. Terwijl Pieter de molen en alles daarbij hoort. In de acte wordt dat omschreven als:

“Een in 1841 nieuw gebouwde wind-oliemolen “De Eendracht” genaamd met daarbij staande pakhuizen, knechtwoningen. Erve en tuin c.a., als mede al de bij deze molen behorende losse en vaste gereedschappen, staande en gelegen aan de Pollesloot, kad. B-622, groot 51 ellen, B 623, groot 51 ellen, en B624, groot 24 roede en 78 ellen, samen alzo 25 roeden en 80 ellen, belast ten. Floreenkohiere op nr. 12 der plaatsen te Akkrum met 4 stuivers land- en zeefloreen en.” Verder krijgt Piter:

“Eene huizingen met twee woonkamers, stede en grond, hok of loods c.a.(nr. 47a) staande en gelegen aan de Smalle brug, kad. 497 groot18 el en A795, groot 12 el, aangekocht op 18 februari 1847 en een beurtschip “De drie gebroeders” gemeten op de inhouden grote van 17 tonnen, benevens de regten van het veer, varende in een vaste beurten op Sneek en Heerenveen vv. met zeil en treil, staand of loopend want, ankers en touwen, haken en boomen, etc. met een gezamelijke waarde van f. 20.000,- “.

Daar moet bij worden verteld dat johannes Sybrens al ingeschreven stond als koopman?beurtschipper. Waarschijnlijk heeft hij het veer aangehouden en dreef Piter de molen. Hij is ook degene die machines aanbrengt, om niet afhankelijk te zijn van de wind en breidt de fabriek behoorlijk uit.

In 1876 komt ook Piter te overlijden, hij is dan 58 jaar en laat een olieslagerij na aan zijn weduwe en kinderen met als beheerder zoon Johannes, toen 21 jaar oud. Dochter Eatske was getrouwd met Jacobus Konijnenberg uit Groningen. De andere dochter Geartsje was getrouwd met Freerk Jans Oosterbaan uit Drachten. Zoon Sybren was al in 1868 gestorven en de andere zoon Mindert was met de noorderzon vertrokken naar Amerika, zodat Johannes het beheer van bedrijf op zijn jonge schouders kreeg te dragen.

Of het allemaal te veel is geweest is niet bekend maar enkele jaren later verhuist hij naar Antwerpen alwaar hij zich laat inschrijven als koopman.
 Hij heeft in 1882 een herenhuis voor zijn moeder aan de Ljouwerterdyk gekocht van de erven Dr. Idzerda. Zij bleef daar wonen tot 1904, in dat jaar komt ze te overlijden.

In 1887 wordt de fabriek met molen te koop aangeboden. Johannes Piter laat zich door een buitenstaander vertegenwoordigen. Als verkopers worden Elisabeth Minderts Peekema, weduwe van Piter Sybrens Hoytema en Johannes Hoytema genoemd, met de aantekening dat eerstgenoemde ook de belangen van haar kinderen Aetske, Geeartsje en Mindert vertegenwoordigd.

Daarmee eindigt een periode Hoytema van de oliefabriek, wat betreft Akkrum en komt Ulbe Twijnstra in beeld van de Akkrumer geschiedenis.

De fabriek met toebehoren wordt als volgt omschreven: advertenties onder:

Afbeelding links en rechts boven: De fabriek met toebehoren wordt als bovenstaand omschreven.

Bij de finale verkoop is ook Tjeerd Twijnstra aanwezig. Hij is boer te Feintsum. Voor het bedrag van fl. 7000,- werd hij de koper van het gehele bedrijf voor zijn zoon Ulbe Tjeerds Twijnstra.

Ulbe Tjeards Twijnstra was daarna de eigenaar. trouwde met Hiske Bouwma uit Ferwerd, Ulbe werd geboren: 14 – 11 – 1865 te Finkum, overleden: 38 – 10 – 1912 te Leeuwarden, begraafplaats: Akkrum.

De jonge Ulbe is 21 jaar en dus minderjarig. Met deze koop begint een belangrijke periode Twijnstra voor Akkrum. Hoewel de jonge Twijnstra college had gedaan in de landbouw hogeschool te Wageningen, ging zijn hart uit naar dat van koopmanschap. Toen in 1887 de Akkrumer oliefabriek te koop kwam, greep hij die dam ook met beide handen aan.
Van het begin af aan zette hij zich in voor deze nieuwe onderneming en hoewel het olieslagers bedrijf vreemd voor hem was, brachten de eerste jaren al succes voor hem. De zaak werd uitgebreid en er werden nieuwe machines aangeschaft om de concurrentie een slag voor te blijven. Ulbe gaat elke vrijdag naar de beurs in Leeuwarden en al snel doet blijken dat hij een pienter koopman is. Het aantal agenten in de provincie neemt toe naarmate de productie groter wordt.

Vier jaar na de aankoop van de fabriek laat Ulbe Twijnstra de oude molen en een gedeelte van de fabriek afbreken om in datzelfde jaar een nieuwe fabriek voor in de plaats neer te zetten. Met grote zaadzolders en opslagruimtes werden in Engeland grote nieuwe persen besteld die een grote verbetering voor de oliefabrikage betekende. Twijnstra neemt ook in Franeker een olie molen over die anderhalf jaar later gemoderniseerd en uitgebreid werd. Het was zowel in Franeker als Akkrum een waagstuk, maar Twijnstra durfde het aan en zag met vertrouwen het komende jaar 1894 tegemoet hetgeen hij als een bekroning zag. Maar het pakte anders uit.

Op 4 juli kreeg hij een klap te verwerken: De fabriek brandde, (op het “Tsjettelhus” na, tot de grond af. Het was een slappe tijd, dat mag een geluk bij een ongeluk heten. Het tekent de man, die een week na de brand alweer vergunning aanvraagt voor een nieuwe fabriek. Enkele weken daarna liggen de tekeningen alweer klaar en werd alles in het leven geroepen om het karwei te klaren en vier maanden na de brand zou het bedrijf weer in het werk worden gesteld, Groter en moderner dan tevoren.
Spijtig genoeg konden de nieuwe persen uit Engeland niet direct worden geleverd en zou het niet eerder worden dan juni 1895 worden, eer ze geplaatst konden worden. Zo kwam het dat het bedrijf in Akkrum een jaar had stilgestaan. Gellukkig kon er in de fabriek te Franeker met de productie worden doorgegaan.
Daarna werd de fabriek in Akkrum weer volledig geïnstalleerd en kon er wederom met de productie worden begonnen. 

Bovenstaande foto:  Na de brand verrijst bovenstaande nieuwe fabriek van Ulbe Twijnstra te Akkrum.

In 1904 koopt Twijnstra het herenhuis “Flora” aan de Ljouwerterdyk van de erven Hoytema. Hiermee sluiten we een periode van de oliemolen van Ulbe Twijnstra af.

Foto links: “De brandverzekering dekt de schade (voor 90 %) van ruim fl.7000

Foto hiernaast op de volgende pagina >>

Het enige dat ons vandaag-de-dag aan deze molen herinnert is de straatnaam “Mounedyk” die naar “It Fabryk’ leidde. Eerder ook wel ‘’Fabrieksreed’’ genoemd. Rechts op de foto het voormalig kantoor van U.T. , dat thans als woonhuis van de voormalig notaris de Boer fungeert. Maar ook het monument (in de vorm van twee oude molenstenen) op het voormalig U.T. terrein, dat is omgetoverd tot een kleinschalig industrieterrein met de Friese Straatnamen als ‘ De Parse”, ‘De Silo, en de Loads van de voormalig oliefabriek is afgeleid.

Het gedenk monument van de U.T.D. werd in 200…  onthuld en enkele jaren later ongeveer 200 meter zuidelijker verplaatst. Dit om de reden, dat er en loods werd gebouwd ter hoogte van het monument. >
 

Lees meer over de molens in Akkrum op de website van de Stichting Akkrum Ald en Nij. Molens met een geschiedenis.



Polslootpoldermolen, polder 100

Locatie 1, polder 100, “Polslootmolen, Spookmolen, It Spûkmooltsje”. Gebouwd aan de oostzijde van de Polsloot. Bouwjaar 1849? Omver/stuk gewaaid tijdens zware storm op 13 november 1972. In 1976 is de molen weer herbouwd op dezelfde locatie. Constuctie: Hout gedekt achtkante ondertoren/huis. Vliucht/rad: 14 meter houten as en roeden. Inrichting: Vijzel 1,50 mtr. opv.h 500/600 m3/h, Kruiwerk: Zetelkruier. Bemaalde polder 100, 1943 in goede staat. Eigenaar: Bestuur vh. Waterschap”de Polslootpolder”. 93,5 ha. Huurder Gerben de Boer. Molenmaker: J. van Kampen. Volgens het kadaster 1811-1832, eigenaar Sake Meintes Visser en mede eigenaren.

Foto boven © Anne en Fimke Dijkstra ca. 1955.

Foto’s boven: Een viertal foto’s van de door de zware storm vernielde Polsloot Poldermolen in 1972. De geheel herstelde molen in 1976 aan de voet van de Polsleat. Hij heeft echter zijn fuctie al eerder verloren.

In de beschrijving van de molendatabase staat: Bouwjaar 1976. Type Spinnekop. Aandrijving: windmolen, functie: poldermolen. Constructie: Vlucht/rad: 14,08 mtr. Inrichting: vijzel. (De houten werd vervangen door een gietijzer exemplaar) Romp: Achtkante ondertoren. Kruiwerk: zetelkruier. De molen is gebouwd in 1849. De gemeente betaald 110.00 euro, de monumentenstichting 22.500, en de rest wordt uit subsidiekosten bekostigd. De molen moet dringend gerenoveerd worden.

De poldermolens verloren hun functies door de vele gemalen in Friesland, waarvan de bekendste en de grootste het ir. D.F, Woudagemaal bij lemmer en het J.L. Hooglandgemaal bij Stavoren zijn.

De verhuizing/restauratie van de “Mellemolen” naar het Deel

De polslootmolen beter bekend al de polderslootpoldermolen is in gebruik genomen op 18 juni 2004 als “De Mellemolen”, Tevens is de standplaats 2 km. Naar het zuiden verplaatst. De molen staat nu aan het; Deel’ nabij Nije Skou, de oude overzet van Akkrum naar Joure.

De molenbiotoop tussen de gebouwen van veevoeder fabriek was al jaren slecht. Na het staken van de productie in 1999 volgde een geheel verdwijnen van de gebouwen van U.T.D.

Ook de monumentale “Witte Silo” ging tegen de vlakte. Hier komt kleinschalig industrie met woningen voor in de plaats. De molen die sinds 1960 al ingebouwd stond, zou in de toekomst op nieuw ingebouwd worden.

Lokatie 2 aan ‘’het Deel’’

De Polsloot Poldermolen werd in 2003-2004 verhuisd/gerestaurerd naar ”Het Deel”.

Naar locatie Nije Skou. Nabij fietspont Nije Skou, richting Joure. Ongeveer 2 km. ten Zuidwesten van de voormalige plek aan de Polsleat. En 2 km. ten Noorden van de Deelsmolen (“Grevenmolen’). De verplaatsing werd uitgevoerd door molenmaker Hiemstra uit Tzummarum BV.

Op zijn nieuwe plaats heeft de molen ook een nieuwe officiële naam gekregen: ”Mellemolen”, naar één van de oude poldereigenaren: Melle Sjouke Hylkema. (In de volksmond was bij vele oud Akkrumers de naam Mellemolen al in gebruik.)

De verhuizing van de Polslootmolen heeft € 187.00,- gekost.  De gemeente betaalt 110.000,- euro, de Molenstichting 22.500,- euro en de rest wordt uit subsidieposten bekostigd. De molen moest dringend gerenoveerd worden.

De as is overigens weer van hout gemaakt.

De in werking stellen werd gepland op 18-6-2004 en werd uitgevoerd door wethouder van Boarnsterhim Harry Jonkers en voorzitter Louis Lyclama van de molenstichting door ‘het lichten van de Vang’. Wethouder Anne Jogchum de Vries hijst de vlag van Boarnsterhim aan de oostzijde en burgemeester Kuipers van Skarsterlân zijn gemeentevlag aan de westzijde van het Deel.

Voorzitter Louis Lyklama: “Een juweel voor het landschap”
 Op vrijdagmiddag 18 juni 2004 was er vooraf en ontvangst met toespraken in Hotel “De oude Schouw”. Terwijl hier nadien tijdens hapjes en een drankje de molen werd ingehuldigd. De officiële handeling (Het lichten van de Vang) was voorbehouden aan wethouder van gemeente Boarnsterhim Harry Jonkers en schaatser Sicco Janmaat. Voorzitter Louis Lyklama van de Molenstichting de “Lege Midden” De stichting is bijna 5 jaar bezig geweest  met de plannen voor de molen. noemde in zijn toespraak de molen een juweel voor het landschap.  Wethouder Harry jonkers van cultuur van Boarnsterhim  Noemde de molen een forse molen Op de nieuwe plek komt hij volledig tot zijn recht. Na deze mooie woorden ging het gezelschap richting Nieuwe Schouw.  Hier werd de vang gelicht door Harry Jonkers en schaatser Sicco Janmaat. Hiervoor waren al de gemeentevlaggen van Skarsterlân en Boarnsterhim aan het Deel gehesen.

(@ my Drone, © Pier van der Heide, 2016.)


Spinnekopmolen van Polder 99

Bovenstaande poldermolen in Polder 99 (aan de Westkant van de Polsloot) werd geplaatst vóór 1977. Deze stond vlak bij de Polslootpoldermolen aan de andere kant van de (oostkant) van de Polsloot. De molen is verdwenen voor 1924. Dan komt hij niet meer op kaarten voor.

Het type Spinnekopmolen. Kenmerken waren: Ondertoren: Houtgedekt (onderhuis verticale planken) Kruiwerk: Zetelkrijer. Volgems het kadaster 1811-1832 was toen de eigenaar jonkheer Tinco Martinus Lyclama a Nijholt te Oldeboorn.

Deze molen bemaalde polder 99 en verdween voor 1924. De foto werd in noordelijke richting gemaakt. Op de foto op de achtergrond is de molen van Schuurmans, de “Eendragt” nog net te zien boven de bomen uit.

De foto hieronder: De molen in Zuidelijke richting gemaakt met de molen aan de andere kant van de Polsloot ook zichtbaar.  



“Coopersburgmolen”, (Polder 265)

De molen, (zonder naam) die op de plaats stond, waar Coopersburg werd gebouwd (1900/1901) stond aan de rivier de Boorn en bemaalde polder 265 (10 ha.). Het bouwjaar was vóór 1832 en is verdwenen met de bouw van Coopersburg. De eigenaren waren Jacob Sijnes van der Goot, koopman en mede eigenaren.

Foto boven: De molen op “Idzerda’s Kampke” waar Coopersburg werd gebouwd is vreugde stand. (1900)

Foto onder: De molen ingetekend op een koekblik met daarop de platte grond van tuin en Coopersburg.



Molen aan de Botmeer



Waterschap Driegreppel

Onderstaand een deel van de kaart van Waterschap de Driegreppel. Hierop staat de Amerikaanse windmotor op het land van boer/veehouder Fokke Aukes de Jong, later zijn zoon Geart de Jong.

Op de rode stip stond de Amerikaanse Windmotor. Om de gehele kaart beter te kunnen bekijken KLIK HIER.

Onder en boven foto’s van @ Familie Geart de Jong.

Links een artikel uit @ LC van 13-5-1980.

Bovenataand foto’s van de Amerikaanse windmotor in ‘Waterschap de Driegreppel’. De Windmotor heeft in ca. 1918 de taak overgenomen van 3 of 4 windmolens. Deze windmotor stond op het land van boer/veehouder Geart de Jong.



Het “Marmooltsje”

Het “Marmooltsje” (was ooit de volksnaam van de molen bij it “Marhuske”) aan de Ljouwerterdyk onder Meskenwier. Deze spinnekopmolen bemaalde voorheen een gedeelte in de “Marren” aldaar. Dit is een stuk land tussen de Ljouwerterdyk en Jinshuizen. De molen stond op een “Wier” naast het zgn. “Marhúske”. De bewoner van dat huis stond klaar voor het werk en onderhoud aan de molen. In ongeveel 1920 werd de molen tijdens een zware storm zwaar beschadigd met een afgebroken bovenhuis. Hij had blijkbaar zijn tijd gehad: Het werk werd overgenomen door een gemaaltje. Op de “molenwier” werd later een huis gebouwd daar de naam “Marmooltsje’ mee verloren ging.

Technische gegevens: De molen bemaalde polder 255 aan de Rijksweg zz. Volgens het kadaster 1811-1832 eigenaar Martinus van Riersen, president van de rechtbank en mede-eigenaren. Moet gebouwd zijn voor 1832 en is voor 1924 verdwenen. (Volgens Merten Bakker dus in 1920). De molen bemaalde polder 255. Iets minder dan 25 ha.

Onder en boven de stituatie op Meskenwier.



“De Spookmolen”

Deze molen stond tussen de Feansterdyk en het Deel en Spikerboor en het Skousterdykje. Volgens kadaster tussen 1811-1832  eigenaar Jacobus Gerrits Hofstra (Landbouwer)en mede-eigenaren. Deze wind Poldermolen moet gebouwd ziijn voor 1832 en tussen 1850-1877 zijn verdwenen. Hij bemaalde polder 100a (ca. 20 ha. Foto: december 1949).

Het “Spookmolentje” is een volksnaam waarschijnlijk uit de 19e eeuw.  Het echte “Spookmolentje” heeft warschijnlijk in Nes gestaan, niet ver van de begraafplaats aldaar.Willem Jehannes Koopmans uit Akkrum, had het in zijn aantekeningen over “Spokerij” daar, alwaar de “lytsfeint” bij om het leven kwam. Of het waar is heeft de schrijver nooit kunnen achterhalen. “Het molentje is lang geleden afgebroken”, schrijft geschiedschrijver Merten Bakker uit Akkrum. “Akkrum heeft er een Spookmolen bij gekregen” Verteld hij verder, ook al zal niemand weten van het bestaan van een molen op die plaats. Het is niet meer dan een naam van een stuk land tussen de Feansterdyk en Het Deel en de Vegelinswei en de Djipsleat. Het was vroegen “Bûtlân”, dat in de winter altijd onder water stond, en waar beide ijsclubs van Akkrum een tal van hardrijderijen hebben verreden. Een molen stond er niet en heeft er ook nooit gestaan. Ook op de kaart van Eekhoff, die de molens aardig wist aan te geven, kwam geen molen voor in deze omgeving. Hoe kwam men dan aan de naam : ”Spoekmountsje” in dit gebied? Het bleef voor Bakker een raadsel, totdat hij op een oude kadasterkaart van om-en-nabij 1830 een molenwier vond (nr. 424) in een koopbrief omschrijving “de helft van een molenerf” Waarschijnlijk is de molen toen al afgebroken geweest. Maar zonder twijfel hebben de Akkrumers die molen zijn naam ontleend aan de hele “krite” blijft nog de vraag: Waarom was er sprake van een “Spookmolen” misschien heeft de molen in het buitenland” de mensen wat vreemd toegeschenen?



De 1e originele “Spookmolen” was op Nes.

De 1e “Spookmolen” waar we op de vorige pagina over hadden (volgens Dorpshistoricus Merten Bakker), is waarschijnlijk de molen die de polder 319 op Nes ca. 15 ha. bemaalde. De molen stond rechts van de huidige driehoek, naast de Manege van Teije Ytsma een de Burdinawei. Volgens kadaster 1811-1832 was jonkheer Tinco Martinus Lyclama a Nijholt, lid der Staten-Generaal, eigenaar van de grond. Deze molen moet zijn van vóór 1832 en weer verdwenen zijn vóór 1924. Het was een wind poldermolen. Stond op 0,3 km. Noord-Oosten van de brug op Nes.

Foto’s onder en boven: De locatie van de de molen die polder 319 bemaalde. (@ Google maps, juni 2025)



Molen Polder 259, Sinnebuorren.

Onderstaande tekening van een molen “Buiten Akkrum” stond p 11 mei 1896 in het dagblad “Rotterdams Nieuwsblad”. Onder de titel “ Een voorjaarsreis door Noord Nederland”. Waarbij een tekenaar de passerende buurten vastlegde op papier. Zoo ook door Akkrum. Waarschijnlijk is bijgaand doorkijkje naast de tuin van de tuin van  (Sr. Van der Vegt) alwaar de Trigreppel liep/loopt met rechts de boerderij van (thans) Kerst Hylkema. Waarschijnlijk staat de molen op de tekening aan het hedendaagse Sinnebuorren. Daar heeft een tweetal molentjes gestaan. Polder 259 en 260. De molen is waarschijnlijk de molen waarvan het kadestraal tussen 1811-1832 van landmeter Johannes A. zn. Holster. Hij werd gebouwd voor 1832 en verdween voor 1924. Hij bemaalde polder 259.   (© Hette Hylkema, Fryske Gea)

Op de foto hieronder (rechts) is tevens de molen te zien die polder 260 bemaalde. Links de Ned. Hervormde kerktoren.



Molepôle Leppedyk, Polder 266

Boven en onder de lokatie waar de eerdere spinnekopmolen molen heeft gestaan

Op deze lakatie heeft een Spinnekopmolen gestaan. Deze was gebouwd < 1832 en afgebroken <1924. Volgens kadastergegevens was de molen in de periode 1811-1832 van koopman Sake Meintes Visser. De molen bemaalde 50 ha. Op de achtergrond rechts de Boskpleats.

Toen er plannen kwamen om de Polsleatmolen (Mellemolen) te verplaatsen naar een ander locatie, is ook deze plaats als mogelijk aangewezen. Paul Hettinga creërde een sitatie, dat er als onderstaand voorbeeld uitzag. Echter, de keuze viel op Nije Skou.



Poldermolen van Polder 281

Bovenstaande molen heeft gestaan aan de Zijlroede op Nes. Deze molen bemaalde polder 281 van ca. 40 ha. Het bouwjaar was vóór 1832 en is verdwenen ná 1924. De molen was tussen 1811-1832 eigendom van bezit van landbouwer Freerk klazes Bonstra. Op de achtergrons is de Boarnster toren nog te zien. Mooi dat we ndeze schets nog hebben.

Boven een situatieschets van Google Maps


Jasker te Oudeschouw

Artikel boven: @Friese koerier : onafhankelijk dagblad voor Friesland en aangrenzende gebieden, 13-04-1956



Molen bij Nije Skou,

? ? ? ?
Bovenstaande luchtopname van waar de molen (rode stip) bij Nije Skou heeft gestaan.

De spinnekopmolen bij Nije Skou (Pontje naar Joure) stond aan de westkant van “het Deel” links van de boerderij van Keimpema.



Amerikaanse windmotor

Polder Klijnsma, Nes/Birstum

Boven en situatieschets van de plaats waar de molen heeft gestaan.

Foto boven: twee variaties van de molen. (Links met de familie Klijnstra.)

Bovenstaande windmotor stond op het erf van de familie Klijnstra onder Nes/Birstum, (polder van 25 ha.)

Vanaf het begin van de jaren twintig (van de 20e eeuw) werden in toenemende mate Amerikaanse windmotore voor het bemalen van polders ingezet. Traditionele windmolens werden bijna niet meer gebouwd en de bestaande molens raakten in verval. Na circa 1930 echter kwam een einde aan het tijdperk van windbemaling, toen windmolens, zowel de traditionele als windmotor, werden opgevolgd door elektrische gemalen. Ook windmotoren raakten vervolgens in onbruik. Van de enkele honderden die in Friesland zijn gebouwd, resteren nog ongeveer vijftig. De meeste daarvan verkeren in slechte staat, al heeft ruim een dozijn ervan de status van Rijksmonument. Slechts een gering aantal is nog bedrijfsvaardig. Evenals traditionele molens worden ook windmotoren soms gerestaureerd en weer bedrijfsvaardig gemaakt. Enkele zijn elders opnieuw ingezet._

Architectuur

Een groot verschil met de traditionele molen is het feit dat de Amerikaanse windmotor een of twee windvanen heeft, waarmee hij zichzelf op de wind kan richten. Hij hoeft dus niet meer door de molenaar in de wind te worden gedraaid. De grote windmotor heeft 20-30 bladen, een betonnen onderbouw, een platform en  is meestal van het merk  Hercules (type Metallicus) De middelgrote windmotor heeft 10-20 bladen. Ze zijn meestal uitgevoerd met een platform en van het merk ‘Record’. Het kleinere type heeft 4 bladen.  Veel van deze kleine en middelgrote windmolens werden geproduceerd door de windmotoren fabriek Gebr. Bakker te IJlst. Ook Lubbert van der Leen uit Garijp was een belangrijke producent van de Amerikaanse windmotoren. Na de oorlog werd het bedrijf uitgeoefend door zijn zonen Jelle en Tije.

In Friesland hebben ooit enkele 100-den Amerikaanse windmotoren gestaan, waarvan in en rond Akkrum-Nes een zestal hebben gestaan. Er stond een grote op de Kliensma -polder bij Birstum. Er stonden ook 2 exemplaren op waterschap Henshuizen, enkele 100-den meters van elkaar af. Een grote en een kleinere, tevens was Waterschap SorreMorre in het bezit van een grote windmotor,  De best bekende windmotor stond op de Driegreppel polder, op het land van F.A. de Jong, waar we als jongens nog wel eens waren te vinden, om onze natte sokken droog te slaan op de betonnen bak. kijk hiervoor onder Waterschap Driegreppel. (omhoog)

De laatste windmotor stond op waterschap Meinesloot-Akkrumerrak. Van deze Amerikaanse windmotoren in en rond Akkrum-Nes is niet één overgebleven. Alles wat ons er aan herinnert. Zijn nog enkele foto’s. (Bron:@ windmotorendatabase.nl)

“Windmotorleed” Meinesleat.

De onderstaande foto van de gehavende Amerikaanse Windmotor is in april 1975 om- en stuk gewaaid.

Deze fraaie grote windmotor stond aan de Meinesloot-Akkrumerrak, tussen Akkrum en Terherne.

Deze werd gebouwd voor 1929 en is in 1975 stukgewaaid en waarschijnlijk daarna opgeruimd. Het was een “grote’’ Windmotor met een vluchtdiameter van 7,50 meter en had 24 bladen.

Het waterschap Meinesloot-Akkrumerrak werd opgericht in 1929 en per 1 januari 1969 opgeheven.

In de eerste jaren van zijn bestaan werden er door het waterschap opvaarten gegraven, dijken verhoogd en een windmotor overgenomen van de Doopsgezinde gemeente van Terherne. Rechten en plichten, bezittingen en schulden gingen over naar Waterschap Boarnferd. De foto werd gemaakt door © W.A. Korpershoek)



Spinnekop aan de Burdinawei/Jirnswâlde tussen Akkrum en Aldeboarn? (Bij boerderij Peanstra)




Wij proberen het zo goed mogelijk te omschrijven. Echter een foutje is zo gemaakt. Mocht u foutjes of onwaarheden hebben ontdekt, of heeft u nog een mooie foto of tekst? Meld het ons op mail: Stiftingakkrumaldennij@gmail.com

Heeft U nog vragen, op- of aanmerkingen over dit onderwerp, of een ander onderwerp of heeft u nog iets dat u met ons wilt delen. Wij horen het graag. Alvast bedankt.

Spreekt ons werk u aan, en wilt u ons ondersteunen? Donateur worden kunt al vanaf €8,50 per jaar. Zo kunnen wij ons ‘werk’ blijven doen en kunnen andere bezoekers er ook weer van genieten. Wij horen het graag. Alvast bedankt.

Stiftingakkrumaldennij@gmail.com