Ald Ackrum

Ald Ackrum


Hier vindt u algemene historische informatie over oud Akkrum.

  Akkrum is oud, heel oud. Zie bovenstaande Ackrumer Friesche-Boere Almanach. 

’t jier uws heeren. 1671. Helaas hebben we niet een origineel exemplaar, maar we hebben wel een tekstuitgave.

Maar Akkrum is nog veel ouder . . . Hoe oud of Akkrum precies is, weten we niet, maar rond 1200 stond er al een kerk.

Onder: De schrijfwijze van Akkrum door de eeuwen, (1476)

Uit “Toponymy fan Akkrum en Nes” van Merten Bakker, 1982.

Ook Nes is op meerdere manieren geschreven:

                   1243 Nesse, 1450 Nesse, 1467 Nes, 1472 Nes, 1493 Nescheragheae.

Na 1500 komt alleen nog maar ‘Nes’ voor.

(Uit Toponymy fan Akkrum en Nes van Merten Bakker, 1982).  

Akkrum en Nes worden al heel lang in één adem genoemd. Zgn. Tweelingdorpen
Net als onze zuiderburen: Haskerdijken &  Nieuwebrug.


Het ontstaan van Akkrum

Akkrum zal zijn ontstaan uit een nederzetting tussen twee stromen, de Boarn en de Trigreppel. Het oudste deel van het dorp bestaat uit It Heechein, de Wide Steech, de Dringelstrjitte en de Boeresteech die deels tegen de terp midden in het dorp liggen. De oude Slachte is indertijd over de terp gelegd en werd later dorpsstraat. Voorheen stonden in en naast Akkrum zo’n twintig boerderijen, waar langzamerhand huizen tussen werden gebouwd, zodat toen van een dorp kon worden gesproken. Het bestaan van boerderijen tussen de gewone bebouwing kan grond geven aan de hypothese, dat de boeren de eerste bewoners zijn geweest: dat waren zeker de veeboeren, omdat de grondaard van Mid-Fryslân zich niet leent voor bouwgrond. De plek waar zij zich settelden was zeer naar de zin: tussen twee waters, aan een terp, beveiligd door de Slachte tegen het water uit de Middelzee en de Boarn en bovendien met rondom weide. Het is slecht gokken, in welk jaar eigenlijk van een dorp kon worden gesproken. Er kan hoogstens worden aangenomen, dat rond de twaalfde eeuw uitbreiding van bewoning is geweest en dat toen uit de eerdere nederzetting een dorp is gegroeid. Wat het ontstaan van de naam betreft, tasten we in het duister. De encyclopedie van Friesland (1958) geeft aan, dat die “misschien” op de Akker of het heem van Akker”, (een persoonsnaam) betekent. Ook dr. J. de Vries wijst op het laatste. Dr. Buitenrust Hettema haalt de Oudgermaanse naam “Akke” erbij. In de Fryske Nammekunde 2 wijst Sipma op het Oudfriese woord “Ake, Aeke of Aecke, dat water betekent, zonder dat evenwel in verband te brengen met de dorpsnaam Akkrum, maar als “Hiem oan it Wetter, mogelijk verhaspeld tot “Aeckerem” (1452) wel kan worden toegevoegd aan de lijst van onderstellingen. (uit:“Toponymy fan Akkrum en Nes” van Merten Bakker, 1982) (Zie ook hieronder)

Tekening Akrum in Utingeradeel van J. Stellingwerf, 1722.

Rechts: Een deel uit de Akkrumer Almenak, Utjown fan M. Bakker, 1977.


Der dy namma fan heten is;
”It komôf fan plaknammen” troch Pieter Duijff.
Boven: Akkrumer Volkslied


Linksboven: Het wapen van Akkrum komt voor op de Ackrumer Friesche Boere Almanach van 1671. Rechtsboven: Het zwarte kruis herinnert aan de Duitse orde, die een commanderij had in Nes. Het
embleem van de Orde is een zwart kruis op een zilveren veld.

Linksboven: Het wapen van Utingeradeel. Rechtsboven: Het wapen van Boarnsterhim.

Akkrum ”Reuzendoarp”.

Sage: Hoe Akkrum aan zijn naam kwam.

    “Buurman, kom eens gauw en waarschuw de buren ook, jonge, jonge, dat gaat in een snel tempo!” Even later staan ze bijelkaar en zien ze twee reuzen die bij hun nederzetting aan het graven zijn. Manke Meine en Kromme Knilles maken een brede sloot. Dat gebeurde ongeveer 1400 jaar geleden bij het dorp dat tegenwoordig Akkrum heet. Met grote scheppen waren zij zo ijverig in de weer dat het een lust was. Iedere schepvol was een kubieke meter grond. Deze grote vaart, die nu de Boorne heet, was zeer belangrijk voor plaatsen als Aldeboarn en Akkrum. In de eerste plaats kon men er varen en daardoor ontstond er handel tussen alle nederzettingen die aan de rivier lagen. Ten tweede kon in natte tijden het water beter beter worden afgevoerd naar de Middelzee. In de derde plaats kon men beter huizen bouwen en werden de nederzettingen groter. “Stil eens”, zei één van de boeren die naar de reuzen keek, “Ze hebben ruzie”. Kromme Knilles keek achterom en bekeek zijn werk. Nou, er zat nogal een flinke bocht in de vaart en daarom riep hij tegen Meine: “Ach, krom!”.

Meine zei boos: “Jij maakt er een rommeltje van en ik wil niet langer met jouw samenwerken”. De boeren die duidelijk “Akkrom” hadden gehoord, zeiden tegen elkaar: “Dat is een mooie naam voor onze nederzetting”. “Kijk nu eens!” zei een andere boer, “Meine en Knilles gaan elk een kant uit, nou dan zijn ze ook echt boos!” Meine ploeterde rechtdoor, het Westen in en werkte zo recht als een kaars. De Meinesloot is het werk van zijn handen. Knilles hield Noordelijk aan en werkte zich te barsten tot aan Raerd, dat toen aan de Middelsee lag. Van boosheid had hij nooit weer achterom gekeken en dat was maar goed ook, zijn werk zat boordevol met bochten. Kijk maar naar de Kromme Knilles.

Wie had kunnen denken dat er uit die nederzetting, waar de ruzie begon, zo’n prachtig dorp zou ontstaan. Een voortreffelijke plek voor de watersporter en de natuurliefhebber. Wanneer Knilles en Meine konden zien, hoe de wereld er daar nu uitziet, dan zouden ze elkaar een hand geven en vrede sluiten met de woorden: “Ons werk is goed geweest!”. (Foto onder; Anne Nijdam).

De reuzen Manke Meine en Kromme Knilles zijn sinds het jaar 1997 terug in Akkrum. Sterker nog, ze hebben een ereplekje gekregen aan de Boarn. Was het eerst een kunstwerk van hout (zie linksonder), later is er een mooi stalen beeld voor teruggekomen. Het is gemaakt door scheeps-bouwer Jan de With. In de zomer van het jaar  1997 is het onthuld. 

De Akkrumer vlag

Afbeelding boven: De gehele voorkant van de Ackrumer Driesche-Boere Almanach



De familie van Akkrum

Parenteel Familie van Akkrum vanaf omstreeks 1450   AB3+ASNxx

De familie van Akkrum  (a)
Aan de oevers van de Boorn, op een boogschot afstand van waar de rivier vanouds uitmondde in de Middelzee, ligt het dorp Akkrum. Wie van hier de Boorn opvaart komt via Nes bij Oldeboorn; benedenstrooms liggen de dorpen Aalzum en Irnsum. Het dorpsgebied van Akkrum loopt van de oude Nesser toren tot bijna aan de bebouwing van Irnsum toe; hieronder behoren de gehuchten Henshuizen en Meskenwier, die nooit tot kerkdorpen zijn uitgegroeid.

In het begin van de 15de eeuw is Aalzum als dorp in verval geraakt en wordt hier, pal aan de Boorn, een nieuw klooster gebouwd: het Franciscanessenklooster Aalzum. Aan dit klooster danken wij onze bekendheid met de oudste generaties Andringa: kloosters bewaren oude handschriften vaak beter dan families.

De partijschappen van Schieringers en Vetkopers gingen aan Akkrum niet voorbij. Zo trekt in 1460 Focke Eesckes met een grote groep manvolk naar Irnsum. Daar worden ze tegengehouden en teruggedreven, waarbij wel zestien van Fockes mannen ‘in die Borne by Aylsum’ de verdrinkingsdood vinden. Hetzelfde jaar vernielen de Jongema’s het Sickema huis te Akkrum. Drie jaar later krijgen de Donia’s het huis van Jancko Douwama (senior) te Irnsum in handen en plunderen en branden zij van daaruit Akkrum, Nes en Oldeboorn. Even later komt Jancko met versterking terug en dan moet het huis van Donia-vriend Rienck Doytzes binnen Akkrum het ontgelden.

In deze tijd – en uiteraard ook al veel langer – ligt te Akkrum een boerderij die als ‘Andringa saete’ bekend staat. Twee keer vinden we deze sate, bezuiden de Meyne sloot, met name genoemd: in 1470 (Andringha) en 1563 (Andringa saete). Ook is er in een oorkonde van 1477 sprake van een Andringa-brug en een Andringa ‘jet off gat’ bij Akkrum. Bij een schouwing van de Leppa dijk in 1570 wordt die oorkonde door Kempe Syuerts aan de heren getoond. Op grond hiervan moet hij o.a. de dijk die vanaf het Andringa-jet zuidwaarts loopt behouden tegen ‘het wroeten vanden verckens ende onnutte drifte van beesten’. Onderhoudsplicht dus, maar al met al is duidelijk dat de naam Andringa in het 15de eeuwse Akkrum niet een onbekende klank had.

Rond 1450 worden de eerste sporen aangetroffen van leden van de familie die eigenerfd was op deze boerderij: de broers Tyard en Jorard Andringa. Naast Andringa-sate hadden dezen nog flink wat bezit in het dorp en we mogen er wel op rekenen dat de familie al lang voordien te Akkrum thuishoorde. In de partijschappen van hun dagen speelden de Andringa’s geen rol van betekenis. Wel lieten zij hun sporen na door stichting van een prebende, het latere Andringaleen, en door ruimhartige schenkingen aan geestelijke instellingen. De naam Andringa is redelijk uniek: vastgesteld werd dat alle 15de en 16de eeuwse Andringa’s tot deze zelfde familie behoorden.

Stamvader van die familie is Tyard Andringa en uit het opschrift van zijn zegel, tiaert: iorrot: sun, blijkt dat zijn vader een Jorrit was. Het zegel van Jorard Andringa is minder goed leesbaar, ioret. ho(ttek?)a. son, en hier vermoeden we een vadersnaam Hotteka, Hotze. Het staat wel vast dat die twee broers waren (Jorard noemt in zijn testament Tyard ‘myn broer’) maar gezien die verschillende vadersnamen zou men denken dat zij halfbroers zijn. Ook is mogelijk dat Jorard het zegel van zijn vader hanteerde, dit zegel lijkt qua stijl ook ouder dan dat van Tyard. Het wapen op beider zegels is overigens identiek: een tweekoppige adelaar.

Jorard Andringa liet geen kinderen na. Zijn erfgenamen-bij-testament zijn de zoon en dochter van broer Tyard en de drie zonen van ene Watze. Voorts krijgen ‘her Hoytien, myn meech, … ende siin twa sesteren’, alle drie geestelijken, een aanzienlijk legaat vermaakt. Omdat dezen een generatie jonger zijn, gaan we ervan uit dat allen (half) oomzeggers van Jorard waren; in de tweede generatie komen we op hen terug.

Terwijl het verdere spoor van Andringa voorvaderen dus in het duister van de middeleeuwen verloren gaat, kunnen we hoogstens nog vaststellen dat deze eerst bekende familieleden vooraanstaande en godsdienstige mensen waren.

In 1470 schenken Jorard Andringa te Akkrum, Janke Andringa, kloosterlinge in ‘Floorencamp’ (Oudeklooster), en anderen het ‘Kijflant’ tussen Rodera en Andringha aan het klooster te Aalzum, opdat er missen voor hen gelezen zullen worden. En deze schenking staat beslist niet op zichzelf. Op Janke Andringa komen we niet weer terug; zij zal een zuster of oomzegster zijn geweest van Tyard en Jorard, met wie we de eerste generatie beginnen.

Fragment 570   “Tussen Gideonsbende en publieke kerk”    door Wiebe Bergsma
Gosse Tyaerdts van Andringa, gehuwd met de pastoorsdochter van Goingarijp, nam ca 1565 tezamen met Tincke Hoytes Andringa van Oldeboorn, een priester van Oldeboorn gevangen. De priester verklaarde afkering te zijn van de vervolging der Menisten. De grietman Grijff was een fel menisten-jager. Boer Jarich Andringa op Andringasate in Akkrum werd in 1573 te Leeuwarden gevangen gehouden, omdat hij zijn zoon Jarich had gehuisvest, die de grietman van Utingeradeel , Andries Grijff , had gekneveld. Hij moest het land tien jaar verlaten, keerde terug, weer vastgezet. Hij vluchtte opnieuw.

Zie ook nr. 61, pagina 25  in Andringa boek 3



Heeft U nog vragen, op- of aanmerkingen over dit onderwerp, of een ander onderwerp of heeft u nog iets dat u met ons wilt delen. Wij horen het graag. Alvast bedankt.

Spreekt ons werk u aan, en wilt u ons ondersteunen? Donateur worden kunt al vanaf €8,50 per jaar. Zo kunnen wij ons ‘werk’ blijven doen en kunnen andere bezoekers er ook weer van genieten. Wij horen het graag. Alvast bedankt.

                    Stiftingakkrumaldennij@gmail.com